Jes. Lernu Esperanton!

esperanto_scrabbleDe koning aller kunsttalen blijft Esperanto. Lees onderstaand minicollege even door: taalhobbyisten krijgen een bouwpakket zonder eind cadeau, taalhaters hun kortste les ooit.

Wat zeg je? Esperanto is voor idealisten die wereldvrede nastreven? Vroeger wel, maar die status heeft het niet meer. Esperanto is vooral hartstikke makkelijk en slim. Toen de Joodse arts Ludwik Zamenhof in 1887 zijn nieuw ontworpen taal naar buiten bracht, presenteerde hij een kraakhelder systeem. Zestien basisregels. Geen onregelmatigheden. Geen uitzonderingen. Bovendien ziet Esperanto er nog herkenbaar uit ook: het vocabulaire grijpt voor 60% terug op Romaanse woorden en voor 30% op Germaanse. Kortom: laten we beginnen.

Uitspraak
Eerst even een rijtje letters, want er zijn er een paar die gek uitzien:
c = ts als in tsaar
ĉ = tsj als in tsjilpen
g = als in girl
ĝ = dzj als in James
ĥ = ch als in lach
ĵ = zj als in journaal
ŝ = sj als in sjans
ŭ = als au!
Wel zo makkelijk: de klemtoon valt altijd op de voorlaatste lettergreep.

Alle zelfstandige naamwoorden eindigen op o: fakto (feit), telefono (telefoon), dormo (slaap).
Alle bijvoeglijke naamwoorden eindigen op a: bela (mooi), granda (groot), longa (lang).
En in het meervoud eindigen ze op een j: longaj tabloj (lange tafels), junaj patroj (jonge vaders).

Het enige lidwoord is la: la knabo (de jongen), la domo (het huis).
Ja is jes en nee is ne.
Een, twee, drie is unu, du, tri.

Alle werkwoorden vervoeg je op dezelfde manier. Ze eindigen bovendien op een klank die de tijd aangeeft:
i          esti                  zijn
as        mi estas         ik ben
is         mi estis          ik was
os        mi estos         ik zal zijn
us        mi estus         ik zou zijn
u         estu!                wees!

Deelwoorden kennen hetzelfde klankensysteem als werkwoorden.
Bati betekent slaan, geslagen is batata. In de tegenwoordige tijd: la batata hundo (de hond die geslagen wordt). In de verleden tijd: la batita hundo (de hond die geslagen werd). Is de hond niet passief, maar actief, dan komt er een n bij: la batanta hundo (de hond die slaat).

Het lijdend voorwerp eindigt altijd op n: li vidas la domon (hij ziet het huis), ŝi volas la juvelon (zij wil het juweel).

Het bijwoord eindigt altijd op e: rapide (snel), bone (goed), agrable (aangenaam).

Waar, wie, wat is kie, kiu, kio.
Daar, die, dat is tie, tiu, tio.
Nergens, niemand, niets is nenie, neniu, nenio.

Een vraag begint altijd met ĉu: ĉu vi parolas Esperanton? (spreekt u Esperanto?)

Knutselen
Vanaf hier is het knutselen. Nee, niet weggaan! Het blijft reuze makkelijk. Kenmerkend voor Esperanto zijn voorvoegsels, achtervoegsels en lettercombinaties die allemaal een eigen betekenis hebben. Plak ze aan elkaar en je hebt een nieuw woord.

Zoals met het achtervoegsel -in, dat iets vrouwelijk maakt: frato is broer, fratino is zus. Viro is man, virino is vrouw.
Een beroep duid je aan met -ist: la floristo (de bloemist), la dentisto (de tandarts).
Het tegenovergestelde maak je met mal-: dika – maldika (dik – dun), kontenta – malkontenta (tevreden – ontevreden).

Zo kun je met tien voorvoegsels en dertig achtervoegsels duizenden woorden vormen. Ook kun je duizenden woorden begrijpen zonder dat je ze ooit eerder gezien hebt. Wat is een malsanulejo? Wel, sana betekent gezond, mal- maakt er ziek van, -ul maakt er een persoon van: zieke, en -ej een locatie – en huppakee: ziekenhuis.

Zo, dat was het voor nu. Simpel hè? Adiaū, en verder leren kun je hier.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.