1570: Waarin Willem van Oranje de hulp inschakelt van dronken criminelen

boten Emden
Gezicht op Emden. Gaspar Bouttats, naar Jan Peeters, 1679 (Rijksmuseum, uitsnede)

Terwijl de hertog van Alva zijn hervormingen doorzet, ziet Willem van Oranje geen andere oplossing dan zijn toevlucht te nemen tot radicale extremisten. Inderdaad: de geuzen.

Geen mañana, mañana…
In drie jaar tijd had de hertog van Alva de zoon van Willem van Oranje opgepakt, de graven van Egmond en Horn laten onthoofden en een speciale rechtbank ingesteld die de Bloedraad werd genoemd en die duizenden ketters aan het veroordelen was. Ook had hij recent een belastingherziening geëist, waarvan de Tiende Penning, een soort btw, geweldig veel weerstand opriep. Je kunt je voorstellen dat zijn politiek adviseurs het tijd vonden voor een rustmomentje.
‘Hertog, de inwoners van de Nederlanden hebben afleiding nodig. Laten we beginnen met degelijk voedsel, want ze bijten hier nog steeds koude haringen de kop af. Als we nu eens Spaanse koks laten overkomen?’
‘En dan? In elke stad een tapasbar? Gaat niet gebeuren.’
‘Wat dacht u van een arena? In het moederland kennen we de stierengevechten, maar misschien moeten we ons aanpassen aan lokale tradities. Iets met schaatsen?’
‘Zodat de mensen naar schaatsers gaan gluren? Het is nog spannender om te kijken hoe een wak dichtvriest.’
‘Met uw welnemen, hertog, had uzelf een beter idee?’
‘Ja. Ik wilde de katholieke kerk eens gaan hervormen vandaag.’
Hij was dan wel Spaans, maar van een mañana-mañana-mentaliteit kon je Alva niet betichten.

…maar een betere kerk.
Alva wilde de kerk weer populair maken bij het gewone volk. Hij liet nieuwe bisschoppen benoemen die recht in de leer waren, en op scholen moesten directeuren en docenten vervangen worden door vurige katholieken. Dat laatste verliep echter niet zo soepel. Schoolbenoemingen zaten in het takenpakket van de vroedschappen, de stadsbesturen, en die lieten zich dat recht niet zomaar afpakken. Alva raakte geïrriteerd – nou, dan weet je het wel. Terwijl de edelen in zijn omgeving opzichtig naar vogeltjes in de lucht zochten en pom-pom-pom neurieden, zat Floris van Montmorency niet op te letten. Alva had twee jaar eerder zijn broer, de graaf van Horn, laten onthoofden, en nu was Floris aan de beurt. Hij belandde in de kerker van een slot in Spanje. Daar liet Alva hem midden in de nacht stiekem wurgen – maar pas nadat hij de baas van het slot brieven had laten schrijven naar Montmorency’s dierbaren, waarin stond dat de edelman zich niet zo lekker voelde. ‘Geachte jonkvrouwe, het spijt ons zeer u te moeten melden dat de graaf van Montmorency zich de laatste tijd enigszins onwel voelt. Mogelijk heeft het vocht in onze cellen hem een kou doen vatten, of liggen de diners van huisrat hem zwaar op de maag. Nou ja, als we hem maar niet op een ochtend aantreffen met twee diepe duimafdrukken op zijn adamsappel, haha! Hmmm… misschien moet ik dat even herformuleren.’ Ook zwakte Alva het generaal pardon voor opstandelingen af. Nu bleven zelfs mensen die hadden geholpen om een protestantse preek te organiseren nog strafbaar.

Oranje schakelt wanhopig de geuzen in…
Ondertussen, in Duitsland, zat Willem van Oranje in zak en as. Sinds de overwinning bij Heiligerlee was hem zoveel mislukt, dat zijn enige hoop lag bij een bende van dubieuze snit: de geuzen. De geuzen waren een zootje ongeregeld, variërend van principiële protestanten tot criminelen tot verarmde edelen die hun in beslag genomen bezittingen in de Nederlanden terugwilden. Zij die op zee voor piraat speelden, werden watergeuzen genoemd. Deze watergeuzen opereerden vanuit het stadje Emden, in Noord-Duitsland. Daar woonden veel Nederlandse vluchtelingen: zo’n vijfduizend, op een bevolking van tienduizend. Niet alle inwoners waren blij met hen. De watergeuzen werden gezien als een goddeloze bende, met hun piraterij en hoerenloperij. We vragen ons af hoe op de lokale inspraakavond ‘Daar moet een piemel in’ geklonken moet hebben in het Vroegnieuwhoogduits, maar daar komen we nog op terug.

…die warempel successen boeken…
Ondanks hun reputatie had Oranje aan de watergeuzen de zogeheten kaperbrieven uitgegeven: documenten waarin hij hen machtigde om namens hem Spaanse schepen aan te vallen. Het was het enige dat Oranje kon doen, aangezien zijn geld zo goed als op was, maar als je het hebt over risicobeheersing is dit vergelijkbaar met het schenken van een vers geslepen kromzwaard aan een psychotische puber met autoriteitsproblemen. ‘Hier, die is voor jou. Kijk me aan als ik tegen je praat. Let op: ik wil dat je integer te werk… Hé, waar ga je naartoe?!’ Met name in het noorden van de Nederlanden, waar het gezag van Alva maar matig was doorgedrongen, hadden de watergeuzen succes. In Friesland namen ze Hindeloopen en Workum in en in april plunderden ze de abdij van Feldwerd bij Appingedam, in Groningen. Zoals te verwachten viel, bezorgde hun onbehouwen optreden Oranje hoofdbrekens. Een week na de abdij van Feldwerd bijvoorbeeld ontvoerde een groepje dronken geuzen twee monniken uit de plaats Midwolde. Hun plan was om een losprijs te vragen, maar uiteindelijk verliep het gesprek waarschijnlijk zo: ‘Zzzeg. We kunnen hier zzzitten en wachten tot dat gggeld een keer komt, maar we kunnen ook nnnú die monniken martelen totdat die ene d-d-doodgaat en die ander voorgoed vvverminkt is.’ –‘Gggoed idee… Of zzzeg ik dat omdat ik a-a-aangeschoten ben?’

…maar het jaar eindigt toch in mineur.
Voor het jaar om was, zag Willem van Oranje zich genoodzaakt om een geuzenleider te ontslaan vanwege begane wreedheden. Deze Dolhein, zoals hij werd genoemd, beroofde naar verluidt vijand én vriend en weigerde vervolgens verantwoording af te leggen over de buit. Oranje sloot hem op op zijn slot Dillenburg. (En liet hem niet veel later weer gaan. Oké, het was een puber met autoriteitsproblemen, maar wel zíjn puber met autoriteitsproblemen, weet je.)
Tot overmaat van ramp moest Oranje meemaken hoe op dinsdag 1 november, met Allerheiligen, de grootste stormvloed van de eeuw toesloeg in de Lage Landen. Van Vlaanderen tot aan de Duitse kust maakte deze Allerheiligenvloed tienduizenden slachtoffers. Minstens zovelen raakten dakloos. Dorpen werden weggevaagd, overal dreven dode dieren op het wateroppervlak.
Tja, meende de hertog van Alva, dat was Gods straf voor de Beeldenstorm van vier jaar geleden. Hij vergat echter te beseffen dat hij er heel wat ontevreden onderdanen had bijgekregen.

Terug naar 1569

1 Reactie

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *