1571: Waarin Alva en Oranje proberen om genoeg geld binnen te harken

De schutterij van Amsterdam, 1588. Door Cornelis Ketel. (officiële titel: ‘Het korporaalschap van kapitein Dirck Jacobsz Rosecrans en luitenant Pauw, Amsterdam, 1588.’ Rijksmuseum.)

Het nieuwe jaar begon met de nasleep van de desastreuze Allerheiligenvloed. De twee kemphanen gingen echter stug voort met hun bezigheden: Alva drukte zijn Tiende Penning erdoor, Oranje probeerde op een kerkelijke bijeenkomst steun te verwerven.

Nederland, een land van water
De Allerheiligenvloed maakte talloze slachtoffers, en nu overstroomden ook nog eens de rivieren door snel invallende dooi. In Gent, Luik en Den Bosch was in februari alleen nog vervoer per boot mogelijk. De Lage Landen bevonden zich in een rivierendelta, leek de natuur te onderstrepen. Niet meer dan logisch misschien dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke groep opstandelingen zich op zee had georganiseerd: de watergeuzen. Immers, elk land krijgt de rebellen die het verdient, en in dit geval waren het rebellen met zwemdiploma A. In mei begonnen de watergeuzen met rooftochten langs de Vlaamse kust.

Tóch een nieuw belastingstelsel
Alva besloot ondertussen om zijn nieuwe belastingplannen, die toch al ver voor Prinsjesdag waren uitgelekt, officieel te maken. Die stap, die ook de gehate Tiende Penning introduceerde, joeg een golf van frustratie door de steden en gewesten. Zij hadden sinds de presentatie van de plannen, twee jaar eerder, tijdelijke beden betaald en gingen ervan uit dat daarmee die hele belastingherziening van tafel was. Niets daarvan. Alva stuurde commissarissen het land in om het geld daadwerkelijk te innen, en zette lagere overheden onder druk om eveneens belastingambtenaren aan te stellen. Stadhouder Bossu, de vertegenwoordiger van koning Filips II in Holland, Zeeland en Utrecht, dreigde met boetes als daar niet aan voldaan werd. Zo zou de burgemeester van Gouda duizend gulden moeten betalen als hij niet zou meewerken. Dat veranderde de zaak natuurlijk.

‘Burgemeester, in naam van de koning verzoek ik u over te gaan tot het innen van de Tiende Penning.’
– ‘Bossu, kerel, dat is een belasting die het arme volk van Gouda niet kan betalen, vrees ik. Het zal de mensen bovendien opzetten tegen ons gezag. Sorry amice, mijn handen zijn gebonden.’
‘Als u niet meewerkt, leg ik u een persoonlijke dwangsom op van duizend gulden.’
– ‘Deksels! En ik wilde met het vrouwtje nog wel een weekendje aan de boemel in Scheveningen. Griffier, ga eens met een paar soldaten naar de markt om daar de kassa’s leeg te trekken. En neem meteen een bolletje jong belegen mee, voor meneer Bossu hier.’

Ook toen: de kloof tussen volk en elite
Maar lokale bestuurders waren banger voor het volk dan voor Alva. Regenten informeerden zenuwachtig bij hun schutterijen of die de orde wel zouden handhaven, mocht de inning doorgaan. Schutterijen waren groepen van gewapende ordehandhavers, gevormd door burgers – buurtpreventie hield in die tijd iets meer in dan een gedeelde appgroep. Om bij het voorbeeld van Gouda te blijven: daar liet de schutterij weten niets te zullen doen om de Tiende Penning af te dwingen. Prompt huurde de burgemeester lijfwachten in. Zo veroorzaakten de nieuwe belastingen – die overigens nooit zouden worden geïnd – zowel een breuk tussen de centrale regering en de gewesten als een breuk tussen de stadsbesturen en het volk. Alva bleef echter zo koppig – en hier komt waarschijnlijk de term ‘Alva-mannetje’ vandaan – dat zelfs een getrouwe als Karel van Berlaymont, lid van de Raad van State en hoofd van de Raad van Financiën, achter zijn rug om naar Madrid schreef om te waarschuwen voor de gevolgen voor de steun onder het volk. Ook Vlaamse bisschoppen probeerden de Tiende Penning opgeschort te krijgen. Maar Alva gaf niet toe. Dat deed hij pas in de zomer van 1572 – toen het al te laat was.

(Die tussen kerk en staat was er al.)
Begin oktober, van de 4de tot en met de 13de, werd net over de grens in Emden, waar veel Nederlandse geloofsvluchtelingen woonden, de allereerste synode van de Nederlands Gereformeerde Kerk georganiseerd. Rekkelijken, zoals Willem van Oranje, wilden de bijeenkomst gebruiken om brede steun voor de Opstand veilig te stellen – ook financiële. Oranje stuurde daarom zijn secretaris, Marnix van Sint-Aldegonde, als onderhandelaar op een missie met de werktitel ‘Synode Plannen’. Hij mocht veel toegeven aan de orthodoxen, zolang hij hun steun maar kreeg. Aldus trokken deze laatsten aan het langste eind. Zij, die zich vooral bekommerden om helderheid in kerkelijke kring, wisten de kerkelijke zaken tot in detail te regelen. Over geld voor Oranje werd echter niet gerept.

‘Goed, resumé Overflakkee: onze kerk word een democratische organisatie naar Calvijns model, met lokale kerkraden aan de basis. We volgen zowel de Heidelbergse als de Geneefse catechismus. En er komt een scherp toezicht van predikanten en ouderlingen op het gedrag van gelovigen. Heb ik iets gemist?’
– ‘Nou, de heer Willem van Oranje verzoekt dringend om hulp bij het opzetten van een brede, nationale beweging tegen de Spanj…’
‘O, dat. Luister, daar zullen we zeker nog eens over brainstormen, maar deze synode is helaas afgelopen, want morgen is het zondag. En we zijn zojuist het orthodoxe pad ingeslagen, dus werken op zondag betekent: kop eraf, hahaha.’

Met medewerking van Tim Fransen.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *