De vertalers: James Salter op het Groningse platteland

Adorp, Arie Zuidersma (1925–2014)

Ton Heuvelmans vertaalde De jagers, de debuutroman van James Salter. Subtiel laat hij het Groningse platteland doorklinken in het Korea van de jaren vijftig. ‘Zo’n zon vind je terug op schilderijen van De Ploeg.’

De tijd dat hij fulltime Engels doceerde in Haren, een klein half uur rijden van huis, ligt ver achter hem. Tegenwoordig reserveert Ton Heuvelmans (72) alleen de ochtend nog voor werk. Als vertaler doet hij doorgaans drie bladzijden per dag – tenzij het een thriller is, dan haalt hij er wel zes. In het Groningse dorpje waar hij woont heeft Heuvelmans zich de afgelopen maanden over James Salters debuutroman The hunters gebogen, uit 1956. Als De jagers verschijnt het deze maand bij uitgeverij De Bezige Bij voor het eerst in het Nederlands.

De thematiek uit het boek kon niet verder verwijderd zijn van Heuvelmans’ dagelijkse leven. Salter liet zich inspireren door zijn ervaringen als gevechtspiloot tijdens de Koreaanse Oorlog (1950–1953). Als twintiger maakte hij een half jaar lang deel uit van een Amerikaans squadron dat zich specialiseerde in het neerhalen van Noord-Koreaanse toestellen, MiGs van Russische makelij. Het boek werd in 1958 verfilmd met Robert Mitchum en Robert Wagner. De sfeer op de basis, het jargon, de vliegtuigen – het is een wereld die vertaler Heuvelmans niet kent. Dus gaat hij op onderzoek uit. In dit geval leek de oplossing van het probleem zich via-via aan te dienen. ‘De broer van een voormalige studievriend heeft bij de luchtmacht gewerkt en vond het leuk om daar weer eens over te praten. Ik heb met hem afgesproken om alle termen door te nemen.’ Hoofdpersoon in De jagers is kapitein Cleve Connell, leider van een element, een flight en een wing. ‘Een element bestaat uit twee jachtbommenwerpers,’ weet Heuvelmans. ‘Het is de kleinste eenheid waarmee destijds een luchtgevecht werd aangegaan: één voorop, de wingman aan de zijkant. Een flight wordt gevormd door vier toestellen, die vliegen in de vorm van een ruit. Het geheel kan worden uitgebreid tot een wing, en een wing weer tot een squadron. Ik wilde weten: hoe heten die dingen in het Nederlands?’ Uiteindelijk heeft Heuvelmans toch voor de Engelse termen gekozen en moet de lezer het maar snappen. In ieder geval: géén voetnoten. ‘Daar hou ik niet van.’

Ochtenden als eierschalen

‘In June came ponderous heat and mornings like eggshells, pale and smooth. Perhaps there might be a bit of early wind, warm but tantalizing, that was never repeated throughout the day. The heat was tremendous. It made the feet ache and clothes feel like abrasive. Even sheets were hot, concrete floors and water pipes. There was no place to go to escape it. The days were interminable.’

‘Deze passage vind ik typerend voor Salters stijl,’ vertelt Heuvelmans. ‘Het is bijna een stream of consciousness. Het verhaal zelf, als een luchtgevecht wordt beschreven of wat daaraan voorafgaat, wordt heel zakelijk en lyrisch verteld, maar dit soort filosofische tussenpassages kom je tegen als Connell bijvoorbeeld op zijn bed ligt te mijmeren.’

‘Juni begon met drukkende hitte en ochtenden als parelmoer, bleek en glad. Soms stond er een vroeg briesje, warm maar verleidelijk, dat de rest van de dag niet meer terugkwam. De hitte was ondraaglijk. Het deed pijn aan je voeten en je kleren voelden als schuurpapier. Zelfs de lakens, betonnen vloeren en waterleidingen waren heet. Er was geen ontkomen aan, nergens.’

Wat als eerste opvalt: Heuvelmans heeft eggshell als ‘parelmoer’ vertaald. ‘Letterlijk staat er “eierschalen”. Op zich is dat een onzinnige vergelijking. Ik heb nog nooit een ochtend gezien die op eierschalen lijkt. Bij eierschalen denk ik – en ik ga er maar vanuit dat de lezer dat ook doet – meer aan de knarsende voorwerpen die je kapot kunt slaan. Uitgaand van de kleur, kwam ik bij parelmoer. Die binnenste laag van schelpdieren is glad en bleek.’ Moeilijke vergelijkingen, vindt hij. ‘Als vertaler moet je steeds de afweging maken of je iets letterlijk gaat vertalen of op een manier die in het Nederlands ergens op slaat. Voor hetzelfde geld zegt mijn redacteur: nee, dit kan echt niet.’

Achter ‘Er was geen ontkomen aan’ heeft Heuvelmans ‘nergens’ gezet – iets wat het origineel niet doet. ‘Vanwege die laatste plek krijgt “nergens” nadruk. Als je in het Engels of in het Nederlands bepaalde zinsdelen wil benadrukken, zet je ze aan het begin of aan het eind. Salter doet het eerste: “There was no place.” Ik het tweede.’ De zinsmelodie speelde ook een rol, al wil Heuvelmans daar niet bewust rekening mee houden – angstig als hij is dat een tekst te gekunsteld wordt. Wanneer hij na de allerlaatste pagina zijn vertaling weer vanaf het begin gaat doornemen, let hij op dergelijke dingen. ‘Pas dan kan ik objectief de tekst bekijken zoals een lezer het zou doen.’

Tomatenrode zon

‘But the mornings, the eternal mornings! They were dawns of doomsday, already burned to transparence while still beyond the horizons over which they came. The mind was threatened by their emptiness. The face wrinkled instinctively against them. They were silent, like the dawns over vast sleeping millions, perfectly still, threatening, deathful. In their silence, premonitions bred like vermin, while red as a tomato the sun rose from behind the eastern hills, throwing down thick blankets of heat.’

‘Maar de ochtenden, de eeuwige ochtenden! Het waren zonsopgangen als van de dag des oordeels, reeds achter de horizon vanwaar ze kwamen tot stralende doorzichtigheid verbrand. De menselijke geest werd bedreigd door hun ledigheid. Gezichten trokken instinctief tot een grimas. Het was doodstil, als de zonsopgang boven slapende miljoenen, volmaakt bewegingloos, dreigend, doods. In die stilte broedden voorgevoelens als ongedierte, terwijl de zon tomatenrood opkwam achter de oostelijke heuvels en dikke dekens van hitte uitwierp.’

Over beeldspraak gesproken: ‘In their silence, premonitions bred like vermin’? Een lastige, vindt ook Heuvelmans. ‘Kan ongedierte broeden? Waar het om gaat, is dat die voorgevoelens heel belangrijk zijn in het boek. Het is namelijk geen vrolijke bende op de luchtmachtbasis. De piloten zijn afhankelijk van radiocommunicatie om te weten of ze wel of niet gaan vliegen. Als hun maatje gisteren is neergeschoten, hebben ze een klotenacht gehad. Misschien hebben ze wel gedronken in de mess. Zwetend van de bloedhitte zijn ze wakker geworden, en ze zien erg op tegen de dag. Constant vragen ze zich af: ben ik de volgende die sneuvelt?’ Alle emoties worden verergerd door de onderlinge concurrentie tussen de jonge piloten, die stoer doen om dat ze aan elkaar niet willen laten blijken dat ze bang zijn, of hun moeder of liefje missen. ‘Als je een MiG neerhaalt, ben je een held en word je getrakteerd op drank. Iedereen wil een ace zijn: een piloot die er vijf neerschiet. Dan komt je foto met vijf sterren in de mess te hangen, in de rij van grote gevechtsvliegers die je zijn voorgegaan. En misschien wel gesneuveld zijn.’

Heuvelmans wijst op de ‘thick blankets of heat’. ‘Die tomatenrode zon stijgt op en gooit dekens vol hitte naar beneden. Dat kan dus niet. Toch snap ik precies wat Salter bedoelt. Hij speelt met andere uitdrukkingen, zoals: I don’t want to be a wet blanket, ik wil geen spelbreker zijn. De verstikkende hitte komt terug in het boek. Connell is gestationeerd in Zuid-Korea, tegen de Noord-Koreaanse grens, en daar heerst een landklimaat. De roman begint met een verschrikkelijk straffe winter. In deze passage is het juni, volop zomer, en het is bloedheet. Die piloten smelten weg in hun cockpits. Daarom wilde ik die dikke dekens erin houden: je kunt je voorstellen hoe heet het is als je daaronder ligt.’ Te prozaïsch wilde Heuvelmans het niet maken. ‘Als je tot de kern van de metafoor doordringt, kom je tot de zon, die hitte verspreidt. Maar dan is je poëzie weg. Zover mag je niet gaan. Wel bij andersoortige teksten, als iemand te veel lult in zijn verhaal, of als het geen roman betreft, maar wanneer het kenmerk van een schrijver is dat hij veel beeldspraak gebruikt, dan moet je dat zoveel mogelijk intact laten. Salters stijl is betoverend en zijn taalgebruik poëtisch, filosofisch – en daarom razend moeilijk eenduidig te vertalen.’

Je zou het niet verwachten, maar stiekem heeft het Groningse platteland Heuvelmans geholpen bij het vertalen van Salters debuutroman. ‘Bovenstaande passage roept bij mij beelden op van impressionistische schilders als Monet en Turner, maar ook van het ruwe expressionisme van de schilders van De Ploeg. Ik kan hier wakker worden en een zonsopgang zien waarbij ik subiet denk aan dat Groningse kunstenaarscollectief, met zijn kleurgebruik. Een tomatenrode zon die alles van kleur doet verschieten, die vind je terug op schilderijen van De Ploeg.’

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *