
In de biografie De zwijger. Het leven van Willem van Oranje strooit René van Stipriaan met verrassende feiten. De weetjes die mij het meeste opvielen, zet ik op een rij. In deze derde aflevering: feit 9 tot en met 13. Waarin Willem van Oranje zich om begrijpelijke redenen steeds eenvoudiger kleedt, de koning van Spanje bijna terloops wordt afgezworen en Oranje, twee jaar voor zijn dood, bijna sterft door een aanslag.
9.
Niks geen religievrede
Met de Pacificatie van Gent (1576, zie nummer 8 uit deze lijst) leek het ideaal van Willem van Oranje aanstaande. Vijftien van de zeventien Nederlandse gewesten erkenden het gezag van koning Filips II, maar zouden zichzelf besturen via de Staten-Generaal. Zij zouden godsdienstvrijheid garanderen, waarbij – tot nader order – in Holland en Zeeland het calvinisme de openbare religie zou zijn en in de andere gewesten het katholicisme. Echter, fanatici maakten dit onmogelijk.
Eind jaren 1570 grepen orthodoxe calvinisten op vele plekken de macht, geholpen door een strakke leiding en een heldere theologie. In Holland en Zeeland werden katholieke kerken en kloosters onteigend. De lutherse predikant Johannes Saliger moest door toedoen van calvinisten Woerden verlaten. Deventer, Zwolle en Friesland kregen te maken met beeldenstormen. In Utrecht dwongen calvinisten het stadsbestuur tot toezeggingen door middel van intimidatie. In 1579 vielen de Nederlanden uiteen, in de katholieke Unie van Atrecht en de calvinistische Unie van Utrecht.
Wat mij dus opviel: Zelfs Oranjes jongere broer werd te chaos te gortig. Jan van Nassau (1536–1606) was op aandringen van Oranje aangebleven als stadhouder van Gelderland, maar hij kon de wanorde en het geweld niet aan. In een vertrouwelijk gesprek (blz. 584) zei hij dat ‘de zaken op een wonderbaarlijke en unieke manier door elkaar liepen.’ Van Nassau schetste het beeld van een zich almaar uitbreidende burgeroorlog, die moedeloos en bedrukt stemde. ‘Het is niet anders dan over en weer oorlog, onrust, groot wantrouwen, splijting, onenigheid, verderf en erbarmelijke jammerklachten.’
10.
Oranje ziet er steeds soberder uit
Het Spaanse bewind draaide Willem van Oranje de duimschroeven aan door hem in 1580 in de ban te doen. Voortaan was hij vogelvrij: wie hem doodde, kon op een beloning rekenen. Ooggetuigen merkten op dat Oranje, die vaak aan koortsen leed, er in deze periode slechter uit begon te zien. Hij leefde niet gezond en werkte hard, getuige eindeloos briefverkeer, talloze audiënties en het constante gemanoeuvreer om geld bijeen te schrapen om de strijd vol te houden. Begin 1581 had hij een ontmoeting met de Engelse diplomaat Fulke Greville. Die zag dat Oranjes kleding allesbehalve kostbaar oogde, vooral zijn bovenkleding, ‘waar, zo durf ik oprecht te zeggen, een eenvoudige rechtenstudent niet graag mee over straat zou gaan.’ Zijn vest leek veel op wat zeelui doorgaans droegen, schrijft Van Stipriaan (blz. 602).
Wat mij dus opviel: De sobere kledij van Willem van Oranje had te maken met de politieke rol die hij gaandeweg opgedrongen had gekregen, meent Van Stipriaan. Ze is weleens in verband gebracht met de calvinistische smaak, maar de biograaf ziet er eerder een noodgedwongen afscheid in van ‘de Bourgondische levenswijze, waarin kostbare en verfijnde gewaden de standaard waren.’ Enkele decennia eerder gold Oranje nog als een frivole, uitbundig uitgedoste edelman in dienst van de koning, maar zijn functie was veranderd. ‘Hij was niet zozeer een leider die de lijnen uitzette en naar wie werd geluisterd, als wel een intermediair, iemand bij wie de lijntjes uit de gewesten bij elkaar kwamen (…). Aan hem de taak telkens opnieuw het algemeen belang naar voren te brengen. (…) In zijn eenvoud was hij de belichaming van het hogere belang van de eenheid van de Nederlanden.’

11.
Het Plakkaat van Verlatinge, een hamerstuk
Het Plakkaat van Verlatinge (1581) wordt weleens gezien als de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring. Het document wordt bewaard in het Nationaal Archief in Den Haag, een facsimile is in het Tweede Kamergebouw te vinden. Niet onterecht, want voor het eerst verklaarden de opstandige Nederlanden hun koning te verlaten. Filips II had zijn macht dusdanig misbruikt, dat zijn onderdanen terecht in opstand waren gekomen. Dit had niets uitgehaald, en daarom kwam het dat Staten-Generaal ‘den Coninc van Spaegnien verclaert hebben ende verclaren mits desen, ipso jure, vervallen van zijne heerschapye.’ Ze zwoeren hem af, ze zochten wel een ander. In 1588 werden de Nederlanden zowaar een republiek.
Wat mij dus opviel: In de geschiedenis was het Plakkaat van Verlatinge misschien een majeure stap, maar op het moment zelf voelde het als een logisch gevolg, een soort formaliteit. In Holland, dat qua opstandigheid altijd vijf jaar voorop leek te lopen, waren de schilden met de wapens van de koning al in 1575 verwijderd. Op een plenaire vergadering van de Staten-Generaal werd het revolutionaire Plakkaat van Verlatinge op 22 juli 1581 aangenomen. Vier dagen later werd het bekrachtigd, ‘bijna alsof het een hamerstuk was,’ schrijft Van Stipriaan (blz. 606).
12.
Koningin Elizabeth piepelt de nieuwe landsheer
Nu ze de Spaanse koning verlaten hadden, zochten de Nederlanden naar een vervanger. De Staten-Generaal had al in 1580 de soevereiniteit aangeboden aan de hertog van Anjou. Anjou was katholiek, maar hij was ook de kroonprins van Frankrijk – zo hoopte Willem van Oranje de Fransen te betrekken in de strijd tegen Spanje. Extra aantrekkelijk was het feit dat Anjou leek te gaan trouwen met Elizabeth, de koningin van Engeland. Nog een land dat zou gaan meevechten!
Anjou stak in oktober 1581 het Kanaal over om het huwelijk rond te maken. Op 22 november hoorde Oranje van Filips van Marnix, die zich in Engeland in het gevolg van Anjou bevond, dat het huwelijk dan toch aanstaande was: Elizabeth had de Fransman tot echtgenoot genomen en hem een ring geschonken. De feestvreugde in de Nederlanden was groot. In Gent werd een fiks vuurwerk afgestoken, er werd een schilderwerk gemaakt over de Nederlandse maagd en Anjou, in verschillende plaatsen klonken saluutschoten, klokgelui en er werden dankgebeden gezegd.
Wat mij dus opviel: Koningin Elizabeth bleek zeer onbetrouwbaar: ze veranderde voortdurend van gedachten. Een dag na Marnix’ bericht bedacht ze zich weer. Het huwelijk ging er niet komen, want een katholieke echtgenoot viel niet goed in het protestantse Engeland. Er ging ook een roddel dat ze stiekem haar hand zou hebben aangeboden aan Alessandro Farnese, de hertog van Parma, die door de Spaanse koning tot landvoogd van de Nederlanden was benoemd en dus Anjous grootste tegenstander mocht heten. Welk spelletjes was de koningin aan het spelen? Het gezichtsverlies voor Anjou was groot. Ter compensatie beloofde Elizabeth hem 60.000 Britse pond sterling voor zijn militaire campagne in de Nederlanden. En bij zijn vertrek uit Engeland, op 1 februari 1582, kreeg hij een groot escorte mee, onder wie Elizabeth, die hem begeleidde tot aan Canterbury. Maar verdomd, dan geeft ze hem bij het afscheid opeens weer een heel andere boodschap mee (blz. 621): ‘Als u me schrijft, adresseer dan: “Aan mijn vrouw, de koning van Engeland.”’ Gekmakend!

13.
Oranje ging al eens bijna dood
Op 18 maart 1582 gonsde het door Antwerpen, waar Willem van Oranje verbleef: Oranje is dood! Alarmklokken werden geluid, de stadspoorten gesloten. In de Sint-Michielsabdij barstte de hertog van Anjou, door Oranje aangewezen als landsheer, in tranen uit. Ervan overtuigd dat juist Anjou en zijn Franse vriendjes erachter staken, trokken woedende burgers naar de abdij. In het Spaanse kamp daarentegen was de vreugde groot. Landvoogd Alessandro Farnese liet een hele reeks brieven uitgaan met het nieuws, in de hoop dat opstandige steden in de Zuidelijke Nederlanden zich aan hem zouden overgeven. Granvelle, de voormalige adviseur van de Spaanse koning die door Oranjes toedoen zijn post in Brussel had moeten verlaten, reageerde dolblij en geloofde nog maandenlang dat Oranje echt overleden was. Maar dat was hij dus niet. Willem van Oranje zou pas twee jaar later bij een aanslag omkomen. Wat was er gebeurd?
Wat mij dus opviel: Willem van Oranje verkeerde lange tijd in levensgevaar. Op die 18de maart had hij in het kasteel van Antwerpen het middagmaal gebruikt met familieleden en hovelingen en stond met een groot gezelschap bij een wandtapijt. Op dat moment diende zich een sjofel geklede jongeman aan. Deze uit Spanje afkomstige Jean Jaureguy leek iets te willen zeggen, maar trok een pistool en schoot. De kogel trof Oranje in het hoofd onder diens rechteroor, vloog door de mondholte en kwam er bij het linkeroor weer uit. Omstanders doorstaken Jaureguy onmiddellijk met hun degens, Oranjes lijfwacht mepte op hem in. Oranjes zoon Maurits, veertien jaar oud, hield een tijdje de wacht bij Jaureguys lijk.
Veertien dagen achtereen bleef Oranje bloeden. Hij dacht dat hij ging sterven, maar overleefde de aanslag. Van Stipriaan, op blz. 631: ‘Op 2 mei werd in de kerken van alle Staatsgezinde gewesten een dankdienst gehouden voor het behoud van de prins. Oranje zelf zat, sterk vermagerd, in Antwerpen ook in de kerk. Er was een grote oploop van mensen die Oranje met eigen ogen wilden zien, en velen barstten van vreugde in huilen uit.’ Het was een moeilijke tijd voor de prins. Drie dagen na die dankdienst stierf Charlotte van Bourbon, zijn derde vrouw, aan koortsen. Oranje was te verzwakt om bij de begrafenis te kunnen zijn.
Lees hier deel 2: Willem van Oranje: 18 feiten uit zijn biografie (deel 2)