De tweets – pardon: de breviloquia – van paus Franciscus

Paus Franciscus: ook zijn tweets worden gebundeld

Eind mei was ik in Italië en als hoofdredacteur van dit blog móest ik daar natuurlijk een Italiaanse krant kopen. Terecht: in La Repubblica bleek een geweldige reportage te staan over een overheidsafdeling in Vaticaanstad die zich bezighoudt met slechts één ding: het verzamelen en vertalen van alle teksten van paus Franciscus naar het Latijn. Inclusief zijn tweets.

Op de derde verdieping van het Apostolisch Paleis, het woon- en werkverblijf van de paus, pal naast zestiende-eeuwse fresco’s van Giovanni da Udine, die een leerling van Rafaël was, bevindt zich het Ufficio delle Lettere Latine. Het ‘Bureau voor Latijnse letteren’ maakt deel uit van het staatssecretariaat van de Heilige Stoel. Dat is het belangrijkste orgaan van de Romeinse Curie, het bestuursapparaat van paus Franciscus. Op de afdeling werken zeven ambtenaren. Hun chef is de Pool Waldemar Turek (57), een classicus die ‘curiaal Latijn’ doceert aan de Pauselijke Salesiaanse Universiteit in Rome.

Verder lezen →

Waarom het Portugees een wereldtaal is geworden en het Nederlands niet

Gezicht op Olinda, Brazilië. Door Frans Jansz. Post, 1662. (Rijksmuseum)
De kathedraal van Olinda werd zwaar beschadigd toen de Nederlanders in de jaren 30 van de 17de eeuw de regio veroverden op de Portugezen. Frans Post verbleef tussen 1636 en 1644 in Nederlands-Brazilië op uitnodiging van de gouverneur-generaal, graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen.

In zijn nieuwe boek Babel beschrijft Gaston Dorren de twintig grootste talen ter wereld (tweedetaalsprekers meegerekend). Een ervan is Portugees, dat door een uitgebreid koloniaal rijk is verspreid. Ook Nederland was ooit een koloniale macht. Waarom is de Nederlandse erfenis op taalgebied zo anders? Een samenvatting, onder eindredactie van Dorren zelf.

Vijf zeevarende Europese naties hebben eeuwenlang tal van overzeese handelsposten en gebiedsdelen in Amerika, Afrika en Azië bestierd: Spanje, Portugal, Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland. Zodoende hebben ze ook alle vijf hebben hun taal buiten Europa verspreid, maar bepaald niet in gelijke mate. Binnen dat groepje van vijf is het Portugees op taalgebied het succesnummer, de krantenjongen die het tot miljonair heeft geschopt. Ons Nederlands is juist het andere uiterste: de schlemiel, de krantenjongen die eeuwig krantenjongen is gebleven (en straks door internet overbodig dreigt te worden).

Cijfers
Een paar cijfers kunnen dat aantonen. Zowel Portugal als de Noordelijke Nederlanden hadden rond 1500 ongeveer een miljoen inwoners. Vijf eeuwen later heeft Nederland weliswaar een stuk meer inwoners dan Portugal (17 miljoen om 10 miljoen), maar is het Portugees ongeveer tien keer zo wijdverbreid als het Nederlands: 225 miljoen om 25 miljoen of, als we tweedetaalsprekers meerekenen, 275 miljoen om 28 miljoen. Nog zo’n scherp contrast: van de Nederlandstaligen woont 98 procent in het ontstaansgebied van de taal, in Nederland en Vlaanderen dus, terwijl de sprekers van het Portugees zich juist voor meer dan 95 procent buiten de Europese bakermat bevinden en voor nog geen 5 procent in Portugal. De welhaast epidemische verspreiding van het Portugees is niet te verklaren uit bewuste inspanningen om die taal overzee aan de man te brengen, want de Portugezen hébben zich daar nooit voor ingespannen. Eigenlijk heeft van de vijf grote koloniale mogendheden alleen Frankrijk dat geprobeerd, met name vanaf de negentiende eeuw. Veel effect heeft dat op de meeste plaatsen niet gehad. Nee, er moet iets anders aan de hand zijn met het Portugees en het Nederlands. Maar wat?

Verder lezen →

Nedersaksisch en Plattdeutsch (2): Hoe de Hanze haar taal oplegde aan half Europa – tot het geld opraakte

De Tyskebryggen (‘Duitse Kade’), een reeks handelshuizen van de Hanze in Bergen, Noorwegen.

Een voorloper van het Nedersaksisch werd ooit van Twente tot aan Litouwen gesproken. Dit Middelnederduits dankte zijn opkomst aan de Hanze, een machtig samenwerkingsverband van kooplieden uit de Middeleeuwen. Totdat de taal werd afgedankt. ‘De snelheid waarmee de steden dat deden, is verbluffend.’

Dat er grote overeenkomsten bestaan tussen het Middelnederduits of Plattdeutsch en Nederlandse dialecten, weten we. Maar hoe werd die taal zo machtig? Om dat te begrijpen, moeten we naar Lübeck. De stad, in het noorden van Duitsland, werd in 1143 gesticht. Lokale handelaren kregen met haar haven aan de Oostzee toegang tot afzetmarkten in West-Europa en Noord-Rusland. Al snel ontdekten ze dat ze hun commercie konden beschermen en uitbouwen door samen te werken. Dit samenwerkingsverband – dat geen officiële stichtingsdatum kent – groeide in de daarop volgende eeuwen uit tot de zogeheten Hanze: een machtige, internationale organisatie die niet alleen voordelig kon inkopen, maar ook prijzen bepaalde, soms een monopoliepositie afdwong en zelfs oorlog voerde. De Hanze strekte zich op haar hoogtepunt uit van Londen en Brugge in het westen tot Novgorod in Rusland. In Nederland zijn onder meer Groningen, Kampen en Venlo voormalige Hanzesteden.

Verder lezen →

WeetNieT: Wat is een kevelbek?

Kevelbek

Een WeetNieT is een onbekend woord uit het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT), het grootste lexicon ter wereld. Wat betekent het?

KEVELBEK (znw.)

a. (Persoon met een) Gezicht als van een kever of insect.
Vgl. keverbek.
‘Boktor! Vliegend hert! Poppenrover! Letterzetter… met uwe kevelbek!’

b. Persoon met een snor.
Vgl. knevelbek.
‘En toen werd ik hem gewaar — daar achter ’t stuur, in de cabine van een bloedrode, walmende truck met oplegger. Het was een lange kevelbek, met haar van de neusvleugels tot aan weerszijden van de kin.’

Verder lezen →

Rembrandt bezat slechts 22 boeken – nogal karig, in de Republiek

Overvallen door ijsberen bij het laden van de sleden, 1596. Gravure door een anonieme kunstenaar naar de belevenissen van Gerrit de Veer. De Veer was met zeevaarder Willem Barentsz gestrand in het ijs bij Nova Zembla. Na terugkeer stelde de Amsterdamse uitgever Cornelis Claesz hem voor om zijn verslag van de expeditie uit te brengen, wat een zeer gewild boek opleverde. Linksboven op de prent: het Behouden Huys. (Rijksmuseum)

De VOC, de grote meesters: ze bepalen ons beeld van Nederland in de zeventiende eeuw. Maar de Republiek was ook het centrum van de internationale boekenwereld, zo betogen Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen in hun zeer lezenswaardige werk De boekhandel van de wereld. Een fragment uit de ouverture, die barst van de verrassingen.

Meer plaats voor het boek
‘Toen Rembrandt zich in 1656 gedwongen zag zijn faillissement aan te vragen, werd er een complete inventaris opgesteld van al zijn nog resterende bezittingen. Naast de schilderijen, de meubels en het overige huisraad in het pand aan de Breestraat vermeldde die niet meer dan tweeëntwintig boeken. Rembrandt was een van de grootste kunstenaars van zijn tijd, maar hij was ontegenzeggelijk in een diep dal beland. Bij een eerdere verkoop had hij al afscheid moeten nemen van het grootste gedeelte van zijn kunstcollectie; wat overbleef waren de droeve resten van een spilzieke en genotzuchtige levensstijl als gevierd kunstenaar. Dat Rembrandt maar tweeëntwintig boeken bezat, en dat nog wel in Amsterdam, is tekenend voor zijn deplorabele situatie. Want juist in die tijd waren boeken alomtegenwoordig in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een aantal van de schitterendste boekwerken van dat tijdsgewricht zag daar het licht. Er woonden meer mensen die boeken lazen – en bezaten – dan waar ook in Europa.’

Verder lezen →

Waarom Nederlanders aan hun baan hun identiteit ontlenen (volgens cultuurhistoricus Herman Pleij)

Een opperkoopman van de VOC. Door Aelbert Cuyp, ca. 1640–1660. (Rijksmuseum)

Werk bepaalt tot op grote hoogte de Nederlandse identiteit – en dat al sinds de Middeleeuwen, zegt Herman Pleij.

Naar aanleiding van een uitzending van het VPRO-programma Tegenlicht (zondag 24 maart, NPO 2, 21:05 uur) over bullshit jobs – oftewel: zinloze banen – realiseerden we ons dat Nederlanders in een gesprek al gauw beginnen over werk, terwijl dat in sommige andere culturen ongebruikelijk of zelfs ongepast is. Als iemand het verband tussen werk en onze nationale identiteit zou kunnen duiden, dan toch cultuurhistoricus en emeritus hoogleraar Middeleeuwse letterkunde Herman Pleij.

Verder lezen →

Nedersaksisch en Plattdeutsch (1): In Duitsland zeggen ze ‘appel’ en ‘maken’, net als bij ons

Het vlakke Emsland, net over de grens bij Drenthe en Groningen

Het Nedersaksisch, de taal van Bennie Jolink en Daniël Lohues, kreeg in oktober vorig jaar een hogere status als regionale minderheidstaal. Vroeger had het die erkenning niet nodig: toen konden sprekers van het Gronings of het Drents in half Europa terecht. Nou ja, soort van.

Nederlandse dialectsprekers lopen er weleens tegenaan: het Fries krijgt erkenning, maar hun eigen taal niet. En dat terwijl het verspreidingsgebied ervan veel groter is dan iedereen denkt, zo hoor je dan. Het Nedersaksisch bijvoorbeeld – met onder meer Gronings, Twents, Sallands en Achterhoeks – zou tot in het Baltisch gebied gesproken worden. Dat is echter een Verder lezen →

WeetNieT: Wat is takketeilen?

Een WeetNieT is een onbekend woord uit het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT), het grootste lexicon ter wereld. Wat betekent het?

TAKKETEILEN (ww., znw.)

a. Krachtterm.
‘Dat maakt zevenennegentig cent, meneer.’
– ‘Voor een bord hachee? Takketeile!’

b. Schertsende handtastelijkheden.
‘Het tacketeylen evenwel / Of ander dertel hant-gespel / En dient voor al geen jonge maegt.’

Verder lezen →

Linguisticator (5): Serdar Gözübüyük is scheidsrechter Grootoog

Scheidsrechter Serdar Gözübüyük in actie. (foto: KNVB Media)

Ik ben een slechte student. Mijn onlinecursus Turks sleept zich voort, en daarom heb ik mezelf beloofd dat ik binnenkort, na de eerste fase, mag stoppen. Nog even doorzetten dus – wat me gelijk een onverwachte parel aan kennis opleverde omtrent Eredivisie-scheidsrechter Serdar Gözübüyük.

De cursus startte ruim een jaar geleden, toen ik had ontdekt Verder lezen →

Het Nederlands van de Gouden Eeuw: schrijvers deden moeilijk, kranten juist niet

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585–1618), toneelschrijver en dichter met een ‘kunsttaal’. Door Hessel Gerritsz, naar Willem Pietersz. Buytewech, 1678. (Rijksmuseum)

Het Nederlands werd gevormd in de welvarende, multiculturele Republiek van de Gouden Eeuw. Schrijvers en dichters wilden een unieke taal hanteren, kranten juist niet, maar beide partijen hielden van zéér ingewikkelde zinnen.

Dat blijkt uit Een mooie mengelmoes, een nieuwjaarspublicatie van het Meertens Instituut. De auteurs zijn twee hoogleraren van de Radboud Universiteit Nijmegen: Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp. We belden Van Oostendorp over het onderzoek en het Nederlands van de Gouden Eeuw.

Het Nederlands is ontstaan uit de dialecten van Holland, Brabant en Vlaanderen, zo krijgen we op school geleerd. Klopt dat nog steeds, of heeft jullie onderzoek iets anders uitgewezen?
Dat is een onderwerp waar Nicoline zich in het verleden veel mee heeft beziggehouden. Zij is het er niet helemaal mee eens, want ook de dialecten uit het oosten hebben een rol gespeeld. Maar ons boek gaat meer over de omgeving waarin het Standaardnederlands is ontstaan: te midden van andere talen. Verder lezen →