
In de biografie De zwijger. Het leven van Willem van Oranje strooit René van Stipriaan met verrassende feiten. Hier vind je de laatste: nummer 14 tot en met 18. Waarin calvinistisch Delft schande spreekt van Oranjes ‘schaamteloze banketten’ en Balthasar Gerards zijn moordwapen aanschaft bij… de lijfwacht van Oranje zelf.
14.
Noord en Zuid
Al in de eerste twintig jaar van de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) tekende zich een verdeling af die we vandaag nog kennen: die tussen Noord en Zuid, tussen het huidige Nederland en België (en Luxemburg). De zeventien Nederlandse gewesten waren in 1543 in handen van keizer Karel V gekomen en tot een geheel gesmeed. Het zwaartepunt lag in het rijke Vlaanderen en in Brabant, dat met Brussel de hofstad bezat. De metropool Antwerpen, eveneens gelegen in Brabant, groeide in de oorlog uit tot centrum van de rebellie – in 1577 werd er zelfs een calvinistische republiek uitgeroepen. Geen wonder dat Willem van Oranje zich vooral op deze gebieden richtte.
Wat mij dus opviel: Oranje zou zich gaan concentreren op Holland en Zeeland – gewoon, omdat het niet anders kon. Alexander Farnese, landvoogd namens de Spaanse koning Filips II, heroverde stap voor stap de gebieden die de Nederlandse opstandelingen in handen hadden. In de zomer van 1583 moest Oranje Antwerpen verlaten – en daarmee de zuidelijke Nederlanden – omdat het er simpelweg te gevaarlijk werd, lezen we in de biografie. Welke zekerheden had hij nog? Die van het noorden. Achter de wateren van Zeeland en boven de grote rivieren was bescherming mogelijk tegen de oprukkende Spanjaarden. Geertruidenberg was versterkt, de polder Ruigenhil aan het Hollands Diep werd omgebouwd tot de vesting Willemstad, aan de Maas naar het oosten lag het bolwerk Heusden. Op bladzijde 666 schrijft Van Stipriaan: ‘De gordel van vestingwerken die hier ontstond, was een tastbaar bewijs dat het hart van de Nederlandse opstand, dat sinds de Pacificatie in 1576 nogal onstuimig in het zuiden had geklopt, in 1583 in korte tijd terugmigreerde naar Holland en Zeeland, en Oranje migreerde mee.’
15.
Een aristocraat in Delft
De Staten-Generaal, het overleg- en bestuursorgaan van de opstandige gewesten, kwam in december 1583 bijeen in Den Haag. Willem van Oranje streek neer in Delft, de nabijgelegen vestingstad die hij veiliger achtte en waar hij zijn laatste dagen zou slijten. Hij nam zijn intrek in het Agathaklooster, dat zijn huidige naam Prinsenhof kreeg. Extra reden voor die veilige keuze: zijn vrouw was zwanger. Louise de Coligny beviel op 29 januari 1584 van Frederik Hendrik. Als gebaar schonk de stad Delft het Agathaklooster aan Oranje. Hij was tenslotte de leider van de opstand, de rebellie die door calvinisten werd gedragen – en de calvinisten maakten in Delft de dienst uit.
Wat mij dus opviel: Vanwege zijn leefstijl schuurde het tussen Oranje en het calvinistische Delft. Gereformeerde predikanten oefenden al een tijdje invloed uit op het stadsbestuur en dat was te merken. ‘In Delft was het al sinds 1577 verboden tijdens feesten als Driekoningen of Vastenavond verkleed of gemaskerd over straat te gaan. Ook mocht er op bruiloften niet meer gedanst worden,’ schrijft Van Stipriaan op bladzijde 672. Het verloop van de oorlog had Oranjes uiterlijk veranderd (zie punt 10 van deze lijst), maar hij bleef een prins, met een hofhouding die een luxueuze, aristocratische levensstijl voorstond. Vanuit de gereformeerde gemeente klonken dan ook klachten over ‘banketten en andere onbeschaamdheden’ aan het hof van Oranje. Het doopfeest van Frederik Hendrik, met spijs, drank en dans, irriteerde. ‘In de kerkenraad werd zes dagen later met grote verontwaardiging over deze schaamteloosheid gesproken, en werd vastgesteld dat onder de Delftenaren “er zeer velen door geërgerd zijn.”’

16.
Alva aan de borst
Gedurende deze periode bereikte de Nederlanden het bericht dat de hertog van Alva (1507–1582) was overleden. In zijn jonge jaren in Brussel had Willem van Oranje heel wat avondjes vrolijk het glas geheven met de Spaanse edelman. Later zou Alva echter uitgroeien tot de bestuurder die we uit de Nederlandse geschiedschrijving kennen: Oranjes bitterste tegenstander, zijn aartsvijand in de strijd tegen Spanje, de ‘IJzeren Hertog’.
Wat mij dus opviel: De manier waarop Alva zijn laatste dagen sleet, was nogal in tegenspraak met zijn bikkelharde reputatie. De man die ooit de beruchte Raad van Beroerten had ingesteld als wapen tegen de ketterij, alias de Bloedraad, kende niet alleen een lang ziekbed, hij leefde de laatste weken zelfs op… borstvoeding. Van Stipriaan schrijft op bladzijde 674: ‘Toen hij een dag voor zijn dood zo werd aangetroffen door een keizerlijke gezant, merkte de oude veldheer op: “Wat ik als pasgeborene heb gedaan, doe ik nu als oude man.”’
17.
Balthasar Gérard
De moordenaar van Willem van Oranje werd in het voorjaar van 1584 in Delft aan de prins voorgesteld. Hij was klein van stuk, droeg eenvoudige kleding, sprak Frans en zei François Guyon te heten. Hij zou een bewonderaar zijn van Oranje en diens inspanningen voor het protestantisme. In werkelijkheid ging het om Balthasar Gérard, een overtuigd katholiek uit de Franche-Comté. Deze Gerards, zoals hij in het Nederlands taalgebied bekend staat, wist van de vogelvrijverklaring van Oranje. Twee jaar eerder had hij zijn woonplaats Dole verlaten om naar eigen zeggen ‘het monster’ naar de andere wereld te helpen. Hij had gesproken met de Spaanse landvoogd Alexander Farnese, die hem een beloning had gegarandeerd, mocht zijn opzet slagen.
Wat mij dus opviel: Voordat Gerards opdook en de fatale kogels afvuurde, had hij goed contact gehad met het kamp van Oranje. Zo was hij op verzoek als koerier naar de hertog van Anjou in Frankrijk gereisd. Ook was hij degene die later de officiële brieven over Anjous overlijden overhandigde in Delft. Hij had Oranje er nota bene over bijgepraat, terwijl deze nog in bed lag. Schrijnend is het, dat Gerards zijn daad wist te realiseren dankzij middelen van de prins en diens entourage. Van Stipriaan schrijft op bladzijde 684 dat Gerards begin juli ‘het verhaal op[hing] dat hij, voordat hij naar Frankrijk terugkeerde, toch iets aan de representativiteit van zijn kleding moest doen.’ Hij kreeg daarop ‘een ruim bedrag’ om zich in het nieuw te steken. Dat was op 8 juli. ‘Van het geld kocht Gerards de volgende dag geen schoenen, maar twee pistolen. Hij kocht ze van een Frans lid van Oranjes lijfwacht, inclusief enige munitie.’ Een dag later, op 10 juli 1584, schoot Gerards Oranje dood. De lijfwacht, die de prins naar verluidt dertig jaar had gediend, pleegde zelfmoord.

18.
Oranje: ambitieux of tolerant?
René van Stipriaan is in zijn slotwoorden mild voor Willem van Oranje. Zonder hem op het schild te hijsen, bestrijdt hij de stelling dat de prins slechts een opportunist was die handelde uit eigenbelang, zoals sommige historici hebben beweerd. Oranje koesterde zijn familiebezittingen en probeerde de macht van zijn dynastie voortdurend te vergroten, zoals de zestiende-eeuwse adel nu eenmaal deed. Ook was hij ambitieux, een eerzuchtige edelman die erkenning van zijn status wilde, maar die van koning Filips II niet kreeg. Als reactie was hij bereid hoog spel te spelen, tot aan regelrechte rebellie. De harde hand waarmee het centrale gezag tekeerging tegen alles wat niet katholiek was, voedde zijn weerzin. Net als het groeiende besef dat de Nederlanden beter af zouden zijn als ze autonomer bestuurd zouden worden, niet vanuit Madrid, maar door de plaatselijke aristocratie. Wat de godsdienstkwestie betreft, ‘is er alle reden om aan te nemen dat zijn politiek van religieuze tolerantie doordacht en ook oprecht was.’ Toch een tolerant denker dus – net zoals de hoofdpersoon in de musical Willem van Oranje, die onlangs in première ging en waarbij Van Stipriaan betrokken is geweest.
Wat mij dus opviel: Juist de tolerantie die Willem van Oranje voorstond geldt bij Van Stipriaan als zijn zwakke punt, in zekere zin. De biograaf constateert dat de prins zijn religievrede omzette in beleid, waarna ze echter uitmondde in een burgeroorlog die bevolkingsgroepen tegen elkaar opzette en de Nederlandse gewesten uiteendreef – naar later bleek voorgoed. Zo ruimdenkend waren de Nederlanden nou ook weer niet. Op bladzijde 698 lezen we: ‘Van Oranjes taxatiefouten was de religievrede de grootste. De Nederlanden kenden een zekere traditie van informele tolerantie, maar het reëel naast elkaar leven van verschillende geloofsgemeenschappen riekte naar godsdienstvrijheid en daar was, afgezien van een kleine groep intellectuelen, niemand aan toe.’
In die zin was Oranje zijn tijd dus ver vooruit.
Lees hier deel 3: Willem van Oranje: 18 feiten uit zijn biografie (deel 3)