Haarzakker

HAARZAKKER (znw.)

b. Ruziemaker; oneerlijk speler.
‘Een stedelingh hadd’ getrouwt een Boerinne; haren Vader gafse beyde de kost, des niet te min den gast was even koppigh, nors eenen haer sacker, ende dwersdrijver, Ja en dede schier anders niet als aen sijn Vrouwe verwijten datse een Boerinne was. – A. Poirters, Het Masker van de Wereldt afgetrocken (1688)

2 Reacties

  1. beste, ik vermoed dat het hier een verkeerde spelling betreft en eigenlijk aes-sacker moet zijn, zoals effectief geattesteerd bij kiliaan…ook bij ons in belgisch brabant wordt het woord dialectisch nog gebruikt als: ‘iemand die aaszak heeft gedaan’ = iemand die bedrog gepleegd heeft…als substantief wordt ook gesproken over ‘aaszakkerij’, bedrog dus…men gebruikt ook het werkwoord ‘betoppen’ om iemand te bedriegen, maar dat is een andere historie 😉 …hier nog het desbetreffende artikel van het wnt: http://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=S000946.re.1&lemmodern=aaszakkerij&domein=0&conc=true

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *