Haarzakker

HAARZAKKER (znw.)

b. Ruziemaker; oneerlijk speler.
‘Een stedelingh hadd’ getrouwt een Boerinne; haren Vader gafse beyde de kost, des niet te min den gast was even koppigh, nors eenen haer sacker, ende dwersdrijver, Ja en dede schier anders niet als aen sijn Vrouwe verwijten datse een Boerinne was. – A. Poirters, Het Masker van de Wereldt afgetrocken (1688)

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *