Laten we slavenhandel eens proberen, dachten ze in Nieuw-Amsterdam

Kaart van de noordoostkust van Amerika, met een gezicht op Nieuw-Amsterdam. Anoniem, ca. 1655 (Rijksmuseum).

De nederzetting Nieuw-Amsterdam was multicultureel, vertelt historicus Russell Shorto, maar niet volgens de mores van de huidige tijd. ‘De WIC dacht: laten we eens slavenhandel proberen.’

Vincent Mann kijkt uit over het water, naar de door wolkenkrabbers getekende horizon van Manhattan. ‘Dat land daar, dat tegenwoordig bekend staat als New York City, of Nieuw-Amsterdam. Ze kwamen er via deze rivier en pleegden geweld tegen ons volk.’ Mann is de leider van de Schildpadclan van de Ramapough Lenape, een groep binnen de Lenape, het Noord-Amerikaanse volk dat in 1626 met de Nederlanders een overeenkomst sloot over Manhattan. Het ging om gebruiksrecht, niet om een aankoop, zo heeft de kijker van Simone en de roofstaat dan al gehoord, via presentatrice Simone Weimans. De Lenape gebruikten het eiland gedurende een deel van het jaar als jachtterrein.

Na de Nederlanders kwamen de Engelsen. En nog veel meer Europese kolonisten. De Lenape moesten inschikken, vaak onder druk van geweld. In de huidige maatschappij wordt maar weinig rekening met ze gehouden: zo kampt de clan van chief Mann met de lasten van gedumpt fabrieksafval van autoproducent Ford, zoals kanker en huidziektes. ‘Het gevolg van kapitalisme,’ stelt hij.  

Russell Shorto
Een man die chief Mann al eerder heeft ontmoet, is Russell Shorto. Wie meer wil weten over de geschiedenis van Nieuw-Amsterdam wende zich tot hem: de Amerikaanse historicus houdt zich al decennia bezig met het onderwerp. Hij is directeur van het door hem opgerichte The New Amsterdam Project, onderdeel van museum The New York Historical, en publiceert regelmatig in het magazine van The New York Times. Shorto schreef twee bestsellers over Nieuw-Amsterdam. De laatste, De geboorte van New York (2025), begint met een onderhoud van drieënhalf uur met chief Mann. Zo lang hebben we niet – maar gelukkig lang genoeg – wanneer we met Shorto afspreken in een Amsterdams koffiehuis. Shorto is voor twee weken in Nederland, waar hij werkt aan een boek over Rembrandt. Ik sprak hem al eerder: voor de Duitse krant Die Welt en over zijn eerste werk, Nieuw Amsterdam. De oorsprong van New York.

Manhattan: géén aankoop
Gevraagd naar de fameuze deal aangaande Manhattan zegt de historicus dat die bepaald niet op zichzelf stond: in de zeventiende eeuw hebben de Nederlanders in Noord-Amerika wel zeshonderd overeenkomsten gesloten, met verschillende volkeren en over verschillende gebieden. ‘Ze wisten heel goed dat het niet om een aankoop van land ging,’ vervolgt hij. De Nederlanders stelden een papieren akte op, de inheemse Amerikanen organiseerden een ceremonie, en vervolgens waren de afspraken duidelijk. ‘Beide partijen stonden elkaar toe te verblijven op het gebied in kwestie en zouden handeldrijven met elkaar. En, niet onbelangrijk: als de ene partij werd aangevallen, zou de andere te hulp te schieten.’  

Het begin van Nieuw-Amsterdam
Even een stukje geschiedenis. Het was in 1609 dat Henry Hudson, op een Nederlands schip, een Noord-Amerikaanse baai binnenvoer die een goede, natuurlijke haven bleek te zijn. Langs de oever zag hij de beboste heuvels van ‘Manna-hata’ – een woord uit de taal van de plaatselijke Lenape, dat ‘heuvelachtig eiland’ betekent. Vijf jaar later verschenen de eerste handelsposten. Aangezien de Nederlandse Republiek de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) aan het uitvechten was tegen Spanje, besloot ze om in Noord-Amerika een militair steunpunt op te zetten.

En zo bracht de West-Indische Compagnie (WIC) in 1624 enkele tientallen kolonisten naar Manhattan. Voor het gemak spreken we van Nederlanders, maar het merendeel bestond uit Walen, en je had er Vlamingen, Duitsers en Engelsen. Voor dit Nieuw-Amsterdam sloot Peter Minuit, een WIC-commandant, in 1626 de overeenkomst met de Lenape. De akte is zoek, maar een regeringsfunctionaris schreef: ‘Ze hebben het eiland Manhattes van de wilden gekocht, voor een waarde van 60 gulden.’ Om hun Europese concurrenten op afstand te houden – Engeland, Frankrijk en zelfs Zweden zetten voet aan Noord-Amerikaanse wal – schermden de Nederlanders met het vermeende eigendomsrecht. 

Gezichten op het eiland Amsterdam. Frederik Ottens (vermeld op object), 1717–1770. Met op de onderste afbeelding, op de voorgrond, vier oorspronkelijke bewoners van Amerika (Rijksmuseum).


Vijftig jaar
Nieuw-Amsterdam maakte deel uit van Nieuw-Nederland, een gebied dat de huidige deelstaten New York, New Jersey, Connecticut, Pennsylvania en Delaware (deels) besloeg. De nederzetting op de zuidpunt van Manhattan telde pakweg 1800 inwoners.  Dankzij de haven, de omliggende rivieren en haar kapitalistische handelsgeest groeide ze uit tot knooppunt in een mondiaal handelsnetwerk. Nieuw-Amsterdam was economisch gezien zo succesvol, dat de Engelse koning in 1664 vier fregatten stuurde om het in te nemen, wat in 1674 definitief lukte (het werd daarbij trouwens niet geruild voor Suriname: de twee gebieden maakten slechts deel uit van hetzelfde vredesverdrag). Het Nederlands gezag in Noord-Amerika heeft dus zo’n vijftig jaar bestaan. 

Eerst handeldrijven
De verhouding tussen de inwoners van Nieuw-Amsterdam en de inheemse bevolking veranderde continu, zegt Shorto. Aanvankelijk draaide alles om handeldrijven. De Nederlanders waren geïnteresseerd in dierenhuiden, met name van bevers. ‘Beverhuiden waren bijzonder waardevol. Er werd vilt van gemaakt, een dunne, warme laag die je bij koud weer onder je kleren kon dragen.’ Ook was het materiaal bijzonder lucratief omdat hoeden van vilt in Europa in de mode waren. De Amerikanen waren pelsjagers en konden leveren: van heinde en verre kwamen ze naar Nieuw-Amsterdam. Niet alleen de Lenape, maar ook andere volkeren als de Wickquasgeck, Montauk en Housatonic kwamen op bezoek, vaak per boot. Wonen in de nederzetting deden ze niet. In ruil voor de huiden wilden ze voorwerpen terug die ze konden gebruiken. ‘Alles van metaal, want ze kenden geen metaalbewerking: musketten, messen, ketels, potten. Maar ook duffel (een variant van wol die winddicht en waterafstotend is, red.).’ Hoewel oorlog en vrede elkaar afwisselden in de onderlinge betrekkingen, overheerste toch dat laatste, zegt Shorto: beide partijen hadden baat bij stabiliteit.  

De machtsbalans verandert
Ongemerkt echter veranderde de situatie. De Europese immigranten hadden ziektes onder de leden als pokken, mazelen en kinkhoest. Net als de oorspronkelijke inwoners van Zuid-Amerika, die in contact waren gekomen met Spanjaarden en Portugezen, waren die van Noord-Amerika daar niet tegen bestand. Enorme aantallen stierven aan de hun onbekende plagen – sommige wetenschappers schatten dat enkele generaties later nog maar tien procent van de oorspronkelijke bevolking van de Amerika’s over was. In Nieuw-Nederland zag men de trendbreuk rond 1640, vertelt Shorto. ‘In verschillende bronnen rapporteren Nederlanders dat ze dorpen bezocht hebben die jaren geleden nog vol Amerikanen zaten, maar waar dan nog maar een paar mensen rondhingen.’ De machtspositie van de inheemse bevolking raakte daardoor flink verzwakt. Met de Nederlands-Amerikaanse conflicten, oorlogen en slachtpartijen van latere decennia in gedachten is dat een beklemmend feit.  

De eerste Afrikanen
Woonden er ook zwarte mensen in Nieuw-Amsterdam? Ja, en vroeg ook. De eerste Afrikanen bereikten Manhattan in 1627, min of meer per ongeluk. Het waren er 22, afkomstig van een Portugees schip dat Nederlanders voor de kust van Venezuela hadden gekaapt. Omdat de Republiek te ver weg lag, waren ze naar die nieuwe nederzetting op Manhattan gestuurd. Aangekomen in Nieuw-Amsterdam hoorden de Afrikanen dat ze eigendom waren van de WIC. Wat er met elk van hen is gebeurd, is onbekend, zegt Shorto. ‘We weten dat de WIC in een latere periode een klein huis bezat in Nieuw-Amsterdam waar tot slaaf gemaakte arbeiders woonden.’ Sommigen kwamen in handen van particulieren. Het zou vaker voorkomen dat gevangengenomen Afrikanen op soortgelijke wijze in Nieuw-Amsterdam belandden.

Dwang/vrijheid
De vorm van slavernij die berucht is geworden, met massale dwangarbeid op plantages in het zuiden van de VS, bestond nog niet. Er was geen beleid, zaken werden ad hoc beslist. Zo kon het gebeuren dat elf zwarte mannen in 1644 bij het bestuur van Nieuw-Amsterdam een gezamenlijke petitie indienden, waarin zij om vrijheid vroegen voor hen en hun gezinnen. De WIC willigde het verzoek in – overigens met de brute bepaling dat huidige en toekomstige kinderen van de bevrijde stellen slaafgemaakt zouden blijven. Nadien zouden vaker Afrikanen in vrijheid worden gesteld, en ook een stuk land krijgen toegewezen. De zwarte inwoners zochten elkaar op. Shorto: ‘Nieuw-Amsterdam kende veel taveernes en zij hadden hun eigen cafés.’ De herberg van Madaleen Vincent, vlak bij het WIC-huis, en de bar van Jan Rutgersen aan de Herenweg (nu Broadway) werden regelmatig bezocht door Afrikanen. Zwarten gingen naar dezelfde kerk als de Europese inwoners. Er vonden gemengde huwelijken plaats.  

Experiment
Nieuw-Amsterdam heeft nooit ingezet op slavenhandel, vermoedt Shorto, omdat het gebied geen plantage-economie had. Tegen het einde van de Nederlandse periode leek dat opeens te veranderen. De historicus haalt een brief aan die de WIC in 1660 stuurde aan Peter Stuyvesant, de laatste gouverneur van Nieuw-Nederland. De Compagnie had geld nodig en gaf de opdracht om ‘een experiment met een lading negers’ uit te voeren. ‘Ondanks het succes van particuliere kooplui heeft de WIC nooit winst gemaakt op Nieuw-Nederland. Ze dacht: laten we dit eens proberen.’ Verder naar het zuiden, tussen Afrika en de Amerika’s, was de WIC al decennia betrokken bij slaventransporten.

De eerste 290 Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen arriveerden in augustus 1664 in de haven van Nieuw-Amsterdam. Later die maand verschenen de Engelsen. Vanaf de overdracht aan Engeland ontwikkelde Manhattan zich tot een belangrijk centrum van de slavenhandel. Ook veranderde het een en ander voor de Afrikaanse bevolking van de tot New York omgedoopte nederzetting. ‘In 1701 werden allerlei regels van kracht. Er kwam een maximale grootte op samenscholingen van Afrikanen, ze mochten niet langer naar buiten als het donker was, enzovoorts.’  

De lange termijn
Nederlands of Engels, voor chief Vincent Mann maakt het weinig verschil. Vanuit zijn perspectief is het helder: de stichting van Nieuw-Amsterdam luidde het verval in van de beschaving van zijn voorouders. Hij legt een direct verband tussen de huidige misère en die allereerste Nederlanders op Manhattan. ‘Het is een voortzetting van wat er is gebeurd met de landonteigening.’ 

SIMONE WEIMANS: 
‘Het is altijd geweldig om in New York te zijn, maar het was extra bijzonder om een heel andere kant van de stad te zien, een kant waar we het nooit over hebben. De dag die ik met Vincent Mann heb doorgebracht, zal ik nooit vergeten. Hij weet ontzettend veel over de geschiedenis van zijn volk. Over de ellende die ze hebben meegemaakt, over hun grond die in de jaren zeventig en tachtig is vergiftigd door fabrieksafval, maar ook hoe zijn mensen altijd zijn blijven doorgaan. De ceremonie op de heilige berg Split Rock, met uitzicht op de skyline van New York, was onvergetelijk en emotioneel. Ik vind het een eer om deze serie op televisie te kunnen brengen, omdat het om een gedeelde geschiedenis gaat. Die geschiedenis is niet afgesloten, ze maakt onderdeel uit van de dagelijkse werkelijkheid van mensen, ook overzee.’ 

Dit artikel verscheen eerder in de VARAgids.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *