De vertalers: Laurent Binet schrijft een boek nooit in zijn eentje

Laurent Binet (foto: J.F. Paga)

Laurent Binet citeert erop los. Ook in zijn nieuwe roman Beschavingen haalt de Franse schrijver veelvuldig collega’s aan – zelfs in hun eigen stijl. Zijn vertaalster Liesbeth van Nes vindt het enig. ‘Hij kiest een bestaande zin, neemt die bijna letterlijk over, en plakt hem vervolgens in zijn boek. Dan zit hij zich te verkneukelen.’

Laurent Binet brak internationaal door met de bestseller HhhH (2010). In Frankrijk won hij er de Prix Goncourt voor debutanten voor. Ook later werk viel in de prijzen, zoals De zevende functie van taal in 2015 (Prix du roman FNAC, Prix Interallié) en Beschavingen in 2019 (Grand Prix du roman de l’Académie française). Civilizations is de oorspronkelijke titel van die laatste roman, die begin deze maand in het Nederlands verscheen. Liesbeth van Nes (1954) heeft ze allemaal vertaald. ‘Dat is prettig, want je leert zo’n man kennen. Ik weet haarfijn wanneer Binet ironie toepast, wanneer hij met een grijns zit te schrijven, waar hij heen wil.’ En wanneer hij een ander citeert, want het aanhalen van collega-auteurs is typisch voor Binet. ‘Hij doet niet anders. Hij kent zijn klassieken en vindt het geweldig om ermee te spelen. Intertekstualiteit, heet dat.’ Van Nes voegt toe: ‘Ik vind het zelf ook leuk.’

Alternatieve geschiedenis
In Beschavingen pakt Binet die liefhebberij groots aan. De roman is opgebouwd uit vier delen, elk in de stijl van een ander literair genre. Uitgangspunt is de hypothetische vraag wat er gebeurd zou zijn als in de vijftiende eeuw niet Columbus Amerika had ontdekt, maar de Inca’s even later Europa hadden veroverd. Beschavingen vertelt een alternatieve geschiedenis – in het Frans een uchronie – waarin Inca-heerser Atahualpa door een broedertwist Zuid-Amerika ontvlucht en de Atlantische Oceaan overzeilt. In Europa begint hij aan een ware zegetocht door handig gebruik te maken van de spanningen die hij aantreft, zoals de godsdienstoorlogen van de Reformatie, rooms-katholieke intolerantie en de rivaliteit tussen de Spaanse en Oostenrijkse tak van het Habsburgse Rijk. Voor de lezer is het een fascinerend spelletje: wat is echt gebeurd en waar heeft Binet de geschiedenis een draai gegeven? Niet voor niets vernoemde de auteur het boek naar de computergame Civilization, waarin spelers met een historische figuur de wereld moeten veroveren.

Genres
Om het verhaal mogelijk te maken, heeft Binet een aantal ingrepen gedaan. Zo laat hij de Vikingen rond het jaar 1000 veel verder naar het zuiden afdalen dan alleen Canada, om onder meer op Cuba ijzer en paarden te introduceren. Dit eerste deel van het boek is geschreven in de stijl van een IJslandse sage: vol sobere mededelingen, met de Groenlandse heldin Freydis als hoofdpersoon. Deel twee is een bewerking van de dagboeken van Christoffel Columbus, die vijfhonderd jaar later weliswaar zijn beroemde ontdekkingsreis maakt, maar strandt op Cuba. Al doende stelt hij de plaatselijke ‘Indianen’ in staat kennis te nemen van vuurwapens en zeilschepen, en hun immuunsysteem van ziektekiemen uit Europa. Het derde en omvangrijkste deel leest als een traditionele kroniek of geschiedenisboek, waarin een goed bewapende Atahualpa op Cuba de Spaanse schepen kopieert en ermee naar Europa reist, om in die ‘Nieuwe Wereld’ uit te groeien tot een schier onaantastbare koning dankzij een combinatie van geweld, diplomatie en Zuid-Amerikaans zilver. Al deze verschillende vormen leverden vertaalster Van Nes een hoop gepuzzel op. ‘Ik heb de IJslandse sagen er wel even op nageslagen – in de Nederlandse vertaling, natuurlijk. Ik moest bijvoorbeeld weten of eigennamen daarin worden vertaald of niet.’ Van de dagboeken van Columbus nam ze de officiële stijl over. ‘Dat waren rapporten bestemd voor het Spaanse hof van Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. Nergens schiet het uit de bocht, en er zit veel religie in: “Zo het Gode behaagt.” Het deel met Atahualpa zit weer vol geschiedkundig taalgebruik van de kronieken: “En het geschiedde dat…”’

Cervantes
Voor onze onregelmatig terugkerende rubriek De vertalers wil Van Nes een passage bespreken uit het vierde en laatste boekdeel. Les aventures de Cervantès heet het, en daarin staat Miguel de Cervantes Saavedra centraal. De stijl is die van diens Don Quichot (1605), de eerste roman uit de Westerse geschiedenis en een monument van de Spaanse letterkunde: als een avonturenverhaal, met lange, beschrijvende hoofdstuktitels. Cervantes zwerft tegen het einde van de zestiende eeuw door een door Inca’s (en inmiddels ook Azteken) gedomineerd Europa. Hij is een jonge avonturier en moet zijn meesterwerk nog schrijven. Op de vlucht belandt hij in een verlaten kasteel in de buurt van Bordeaux, samen met zijn kameraad Domenikos Theotokopoulos, in wie we de schilder El Greco herkennen. Het kasteel blijkt van de Franse politicus en filosoof Michel de Montaigne te zijn. De drie slaan aan het discussiëren.

De passage:

De jonge Cervantes probeerde zijn vriend ervan te weerhouden deze weg verder te bewandelen uit vrees dat hun gastheer er aanstoot aan zou nemen en hun niet langer zijn bescherming zou bieden, maar het was vergeefse moeite, de Griek bleef maar doorgaan met zijn verwensingen. ‘Verdoemd zijn de christenen die gemene zaak maken met de ongelovige!’ zei hij dan.

Maar in plaats van erdoor gekrenkt te zijn leek meneer Montaigne zich die vermaningen graag te laten aanleunen, en zelfs plezier te beleven aan de stoere, mannelijke vertrouwelijkheid waarmee de Griek hem de mantel uitveegde. ‘Geen enkele overtuiging kan me kwetsen, wat voor strijdigheid ze ook met de mijne vertoont,’ zei hij om de angsten van de jonge Cervantes te bezweren. ‘Ik zal een hele dag vreedzaam discussiëren, als het debat maar een bepaalde samenhang vertoont.’ En hij voegde er lachend aan toe: ‘Ik ga eigenlijk liever om met wie me neerknuppelen dan met wie bang voor mij zijn.’ Het was alsof je door hem tegen te spreken zijn aandacht in plaats van zijn woede wekte.

Citeren
De passage toont Binets liefde voor het citeren, zegt Van Nes. ‘Als je Binet vertaalt, moet je steeds opletten of je woorden tegenkomt die door iemand anders zijn gezegd. Hij kiest een bestaande zin, neemt die bijna letterlijk over, en plakt hem vervolgens in zijn boek. Dan zit hij zich te verkneukelen.’ Om tot haar vertaling te komen, raadpleegde Van Nes veelvuldig Montaignes werk Essais in de Nederlandse bewerking van Hans van Pinxteren: De essays. ‘Neem die zin halverwege: Montaigne leek “zich die vermaningen graag te laten aanleunen, en zelfs plezier te beleven aan de stoere, mannelijke vertrouwelijkheid waarmee de Griek hem de mantel uitveegde.” Of: “Geen enkele overtuiging kan me kwetsen, wat voor strijdigheid ze ook met de mijne vertoont.” Dat staat letterlijk in De essays. Binet legt de verteller die woorden in de mond.’ Van Nes kopieerde de tekst van Van Pinxteren exact. ‘Als de lezers dit gaan opzoeken, moeten ze constateren: verrek, dit komt letterlijk uit Montaigne! Dat is het effect dat Binet heeft gewild.’

Het Franse origineel:

‘Le jeune Cervantès essayait d’empêcher son ami d’aller plus avant en cette voie, craignant qu’elle n’offensât leur hôte et que celui-ci ne leur retirât sa protection, mais c’était peine perdue ; sans cesse, le Grec revenait à ses récriminations : « Damnés sont les chrétiens qui pactisent avec l’infidèle ! » disait-il.

Pourtant, loin d’en prendre ombrage, monsieur de Montaigne semblait au contraire prêter l’épaule à ces remontrances, et même tirer plaisir de cette familiarité forte et virile avec laquelle le Grec l’apostrophait. « Nulle croyance ne me blesse, quelque contrariété qu’elle ait à la mienne, disait-il pour apaiser les craintes du jeune Cervantès. Tout un jour, je contesterai paisiblement, si la conduite du débat se suit avec ordre. » Et il ajoutait en riant : « Je cherche à la vérité plus la fréquentation de ceux qui me gourment que de ceux qui me craignent. » C’était comme si, en le contrariant, on éveillait son attention, non pas sa colère.’

De passé simple leeft nog
Dat offensât uit de eerste zin is zeker de beruchte passé simple, die werkwoordsvorm die je alleen in nog in de Franse literatuur tegenkomt? Mis, antwoordt Van Nes, het is de subjonctif. ‘De aanvoegende wijs. Die gebruik je omdat er iets wordt gevreesd – craignait – wat nog onzeker is. De passé simple vind je toevallig niet in deze passage, maar hij bestaat nog steeds, hoor. De Fransen zijn tamelijk behoudend in dat soort dingen.’ Ook Binet dus. Toch schrijft hij anders dan veel van zijn landgenoten, vindt Van Nes. ‘Zijn Frans is minder zweverig. Sommige literatoren – Modiano bijvoorbeeld, en Gide heeft het ook een beetje – zijn nogal suggestief in hun taalgebruik, wat maakt dat buitenlanders Frans een moeilijke taal vinden. Dan lees je zo’n roman en denk je: ik krijg de vinger niet achter het verhaal, waar gaat het nou eigenlijk over?’ Binet wil gewoon een verhaal vertellen, zegt ze. ‘Je zou hem een mannelijke schrijver kunnen noemen.’

Net iets poëtischer
De passage bevat twee uitdrukkingen die in het Frans net iets poëtischer geformuleerd lijken dan bij ons. Ombrage betekent ‘schaduw’. Is ‘gekrenkt zijn’ in het Frans dan zoiets als ‘de schaduw nemen’? ‘Het is een uitdrukking die niet veel voorkomt. Een literaire variant. Daarom heb ik het chique “gekrenkt” gebruikt in plaats van “beledigd”.’ Hier komt het taalgebruik van de zestiende-eeuwse, door Binet geciteerde Montaigne dus om de hoek kijken. Net als even verderop, waar we prêter l’épaule zien staan, letterlijk: ‘de schouder lenen’. Van Nes vertaalde het als ‘zich laten aanleunen’. Dat klinkt in het Nederlands iets minder literair, maar ‘het voordeel is dat de zin zo niet te ingewikkeld wordt voor de lezer.’ Nederlanders kunnen namelijk minder moeilijke woorden aan, vindt Van Nes. ‘Het Frans is voortgekomen uit het Latijn, en daarom zijn de Fransen meer gewend aan Latijnse termen dan wij. Een woord als “repercussie” vinden wij al gauw lastig, maar zij hebben er gewoon geen andere term voor. Ook Fransen met amper mavo gebruiken het. Als ik aan het vertalen ben, probeer ik die moeilijkheidsgraad een stukje omlaag te halen.’

Neerknuppelen
Tot slot treffen we twee woorden aan die we vanuit het Nederlands herkennen, maar die hier heel anders worden gebruikt. Apostropher doet denken aan onze apostrof, het ‘hoge kommaatje’ in woorden als ‘zo’n’ en ‘CDA’er’. In het Frans betekent het gewoonweg ‘uitvallen tegen’, of zoals hier: ‘de mantel uitvegen’. Een kleine zoektocht door de literatuur leert dat een apostrof ook een stijlfiguur is uit de retorica, waarbij de spreker plotseling het woord richt tot een (soms afwezige) ander: ‘O Romeo, Romeo!’ In het Frans heeft het woord kennelijk een berispende associatie gekregen. En als Van Nes gourment vertaalt als ‘neerknuppelen’, vragen we ons af het werkwoord gourmer op een bepaalde manier gelinkt is aan een Nederlandse activiteit waarbij eveneens een voorwerp wordt gehanteerd, vaak rond Kerstmis. ‘In het Frans is gourmer een gek woord,’ zegt de vertaalster. ‘Montaigne gebruikte het. Van Pinxteren vertaalt het als “hard zijn tegen”, maar ik heb er “neerknuppelen” van gemaakt. “Gourmetten”? Ha, nee, daar heeft het niets mee te maken!’

Beschavingen van Laurent Binet, vertaald door Liesbeth van Nes, is op 3 maart verschenen bij uitgeverij Meulenhoff.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *