
In de biografie De zwijger. Het leven van Willem van Oranje (2021) strooit René van Stipriaan met verrassende feiten. De weetjes die mij het meeste opvielen, zet ik op een rij. In deze tweede aflevering: feit 5 tot en met 8. Waarin Willem van Oranje delen van de Nederlanden zomaar weg wil geven en een Haarlemse vrouw Spaanse soldaten beledigt met haar aars.
5.
Het plan de Nederlanden te verdelen
De Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) of Nederlandse Opstand was begonnen en de eerste jaren verliepen niet best – althans, voor het kamp van Willem van Oranje. Dat kwam door de man die de Spaanse koning Filips II naar de Lage Landen had gestuurd om de orde te herstellen: de hertog van Alva. Oranje ontvluchtte het land, net als vele calvinisten en andere anti-Spaanse edelen en burgers.
In drie jaar tijd liet Alva Oranjes zoon Filips Willem oppakken, de graven van Egmond en Horne onthoofden en de ‘Bloedraad’ instellen, een rechtbank die duizenden protestanten of ketters veroordeelde. Wanhopig zocht Oranje steun in het buitenland. Zijn broer Lodewijk van Nassau (1538–1574) was daarbij goud waard. Lodewijk, een overtuigd calvinist en vaardig diplomaat, knoopte betrekkingen aan met protestantse leiders in Frankrijk, Engeland, Toscane en elders, die in het katholieke Spanje een bedreiging zagen.
Wat mij dus opviel: In de loop van 1571 werd een radicaal plan gesmeed: om de Nederlanden te verdelen. Francis Walsingham, de ambassadeur in Parijs van Elizabeth van Engeland, de protestantse koningin, beschreef het in een stel brieven. ‘De details zijn nog altijd huiveringwekkend voor degenen die in de Opstand een Nederlandse vrijheidsoorlog willen zien,’ schrijft Van Stipriaan (blz. 359). Engeland, Frankrijk en enkele Duitse vorsten zouden samen de Nederlanden bevrijden en zo de macht van Spanje een halt toeroepen.
Om te voorkomen dat Frankrijk te veel gebieden zou inpikken, kwam er een verdelingsplan. Frankrijk kreeg de gewesten Artesië en Vlaanderen, Engeland mocht zich Holland en Zeeland toe-eigenen en de Nederlandse gewesten die ooit tot het Duitse Rijk hadden behoord – waaronder Brabant, Luxemburg en Gelderland – kwamen onder een Duitse vorst. Walsingham: ‘En dat kan uiteraard slechts de prins van Oranje zijn.’ Willem van Oranje, hoofd van een rompstaat.
6.
Het Wilhelmus als meesterzet
‘Al sinds de eerste calvinisten in de jaren vijftig in de zuidelijke Nederlanden in het straatbeeld opdoken, vielen ze op door hun samenzang,’ schrijft Van Stipriaan. ‘Het waren veelal psalmen, die naar Frans voorbeeld op moderne en aanstekelijke melodieën waren gezet.’ En vaak in het Nederlands. Zo zouden psalmzangers de beeldenstormers hebben aangemoedigd die in 1566 de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen hadden vernield.
De calvinisten bouwden met hun ‘geuzenliederen’ voort een op een traditie die andere critici van de katholieke kerk, zoals lutheranen en wederdopers, al hadden ingezet. Het zingen maakte hen herkenbaar voor de buitenwereld, maar ook voor elkaar. Daarnaast was het een doeltreffende manier van actievoeren. Met een tekst over een actuele gebeurtenis presenteerden ze hun eigen weergave van de werkelijkheid: hun eigen gelijk, met eigen helden, vijanden, nederlagen en overwinningen. Gezet op een pakkende melodie konden de liedjes zich razendsnel verspreiden. Drukkers gaven de teksten op losse vellen uit en rondreizende venters brachten ze aan de man.
Wat mij dus opviel: Zo’n protestsong als wapen, dat wilde de kliek rondom Willem van Oranje ook wel. Als leider van de Nederlandse Opstand moest Oranje het vuur brandend houden. De tekst van het Wilhelmus moet eind 1571, begin 1572 geschreven zijn. Van Stipriaan spreekt van ‘een meesterzet’ (blz. 371). ‘Binnen de kortste keren [werd het Wilhelmus] het lijflied van grote groepen opstandige Nederlanders.’ De melodie, afkomstig uit Frankrijk en veel sneller dan wij gewend zijn, zal daarbij geholpen hebben. Wie de tekst schreef, blijft onduidelijk – mogelijk waren het meerdere personen.
In ieder geval lijkt voor zich te spreken dat Oranje ervan wist en zijn goedkeuring verleende. In het Wilhelmus spreekt de prins, in de ik-vorm, over zijn nobele motieven, zijn nederige rol, zijn offerbereidheid en zijn medelijden met het Nederlandse volk. Het weerspiegelt zijn politieke balanceeract van dat moment: nog steeds trouw aan de Spaanse koning, niet exclusief calvinistisch, maar de hand reikend naar alle protestantse groeperingen, en ook naar gematigde katholieken. Oranje wilde geen enkele groep van zich vervreemden – hij kon alle steun gebruiken.
7.
Haarlemmer vrouwen
Op 1 april van het jaar 1572 namen de watergeuzen het stadje Den Briel in (nu Brielle, in Zuid-Holland). Een verrassing, en een geweldige klap voor de Spanjaarden. Opeens beschikten de Nederlandse rebellen over een mariene uitvalsbasis in gebied dat door Spanje werd beheerst. Als gevolg schaarde een groot aantal steden zich achter Willem van Oranje. De hertog van Alva sloeg hard terug. Hij gaf zijn zoon, Don Frederik, opdracht tot een strafexpeditie: er moest een einde worden gemaakt aan de Nederlandse Opstand. Na de bloederige herovering van Mechelen, Zutphen en Naarden stootte Don Frederik door naar Haarlem. Dat leek een eitje te worden. Echter, mede dankzij het opvallend massale verzet van burgers, die de verhalen over de Spaanse meedogenloosheid hadden gehoord, pakte dat anders uit.
Wat mij dus opviel: Bij Van Stipriaan lezen we hoe het er tijdens het beleg, dat zeven maanden duurde, aan toeging. ‘Hoe bevalt u dat, Haarlem?’ klonk het na een felle Spaanse beschieting. Sarrende liedjes werden gezongen door Amsterdammers met een hoorbaar accent, die met de Spanjaarden meevochten. De Haarlemmers zongen terug – en onder hen bevonden zich veel vrouwen, zo viel de Spanjaarden op.
Kenau Simonsdochter Hasselaar had mogelijk een heuse militaire rol, maar ook vrouwen van lagere komaf lieten zich niet onbetuigd. ‘Ze scholden vanaf de stadsmuur de Spaanse soldaten de huid vol,’ schrijft Van Stipriaan (blz. 406). Naar verluidt had een van hen vanaf de muur ‘haar blote billen (…) laten zien. “Wanneer jullie geen beter geschut hebben, dan mogen jullie me ook wel even in mijn aars trompetteren. Want we zijn niet bang voor jullie, kom maar op.”’ Ondanks straf verzet nam Don Frederik in juli 1573 de stad in.
8. De staatsgreep van Oranje
Alva werd in 1573 opgevolgd door een nieuwe landvoogd: Luis de Zúñiga y Requesens. Aangezien de Spaanse schatkist bijna leeg was, kreeg hij de ruimte om de opstand in de Nederlanden te beëindigen – al moesten Willem van Oranje en andere kopstukken nog steeds worden uitgeschakeld. Toen Requesens in maart 1576 opeens overleed, ontstond er een machtsvacuüm. Bij gebrek aan een officiële opvolger ging het dagelijks bestuur van de Nederlanden opeens naar een orgaan dat al jaren niet meer zo belangrijk was: de Raad van State, met daarin Requesens’ naaste adviseurs.
Onrust brak uit toen Spaanse soldaten enkele maanden later aan het muiten sloegen – ook de Raad kon hun geen soldij uitbetalen. Ze plunderden van Zierikzee tot Gent, tot angst en afgrijzen in alle gewesten, met name in het aanpalende Brabant. De Spaanse Furie, zoals de schokkende, driedaagse roof- en moordpartij in Antwerpen in november kwam te heten, moest dan nog komen. De Staten van Brabant kwamen in actie en pleitten openlijk voor een terugkeer naar de oude privileges van de gewesten, én voor de Staten-Generaal als partij in het landsbestuur.
Wat mij dus opviel: Willem van Oranje begreep dat hij als redder in nood werd gezien en maakte daar gebruik van. Van Stipriaan (blz. 473) spreekt van ‘een staatsgreep, niet meer, niet minder, uitgevoerd op het moment dat het Spaanse bewind zwakker stond dan ooit.’ In september 1576 liet Oranje een staatsgreep plegen – al zag het eruit als een operatie van de Staten van Brabant. Een twintigjarige legeraanvoerder in Brabantse dienst, Oranjes petekind Willem van Horne, nam in Brussel de leden van de Raad van State tijdens een vergadering gevangen – het landsbestuur dus. Grote namen als Berlaymont (die van het woord gueux) en Viglius werden opgepakt.
Hoewel ze nog diezelfde maand werden vrijgelaten, ging de situatie richting een kantelpunt. Vooraanstaande koningsgezinden wendden zich af van Filips II. De Staten van Brabant riep de Staten-Generaal bijeen. Het werd een cruciaal jaar. Op 8 november ondertekenden de opstandige gewesten de fameuze Pacificatie van Gent, waarin ze Oranje aanwezen als leider. Ook riepen ze Filips II op om zijn Spaanse troepen uit de Nederlanden weg te halen en verklaarden ze de vervolging van ketters voorlopig voor beëindigd.
Lees hier deel 1: Willem van Oranje: 18 feiten uit zijn biografie (deel 1)